Slootkant - aanleg

Vochtige kruidenvegetatie

Door een oever natuurvriendelijk aan te leggen ontstaat er een geleidelijke overgang van water naar land. Door de variatie in waterdiepten en groeiomstandigheden, zal een grotere diversiteit aan oeverplanten, waterplanten en diersoorten voorkomen. Oever en waterplanten kunnen zeer waardevol zijn als voedselplanten voor bijen en zweefvliegen. Tevens bieden overblijvende stengels (van onder andere riet, kattenstaart en lisdodde) goede nestgelegenheden voor bijen en maken sommige soorten zweefvliegen gebruik van waterplanten als waterlelies en gele plomp om hun eitjes op af te zetten.

Gewenste vegetatie

Op basis van de planten die van nature in uw regio voorkomen, en welke daarvan het meest relevant zijn voor de bestuivers in uw regio, adviseren we om toe te werken naar een vegetatie met de plantensoorten uit de lijst 'Meest geschikte soorten'. Onderzoek waar mogelijk eerst of deze soorten nu al voorkomen op de plek waar u een maatregel wilt gaan nemen. Zo ja, dan is het beter om deze soorten te bevorderen via het juiste beheer. Kijk voor een gericht beheer-advies op Oevervegetatie - beheer.

Zijn deze soorten nog niet aanwezig, gebruik dan deze ontbrekende soorten uit onderstaande lijst 'Meest geschikte soorten' voor het samenstellen van uw zaaimengsel. Twee tips bij het maken van een selectie:

  • Weet u of de bodem ter plaatse erg voedselrijk of voedselarm is, houdt daar dan rekening mee in de selectie (zie onder). 
  • Kies voor soorten die elkaar aanvullen in bloeiperiode, zodat de bijen in uw terrein gedurende hun hele vliegperiode voedsel kunnen vinden. Wilt u meer hulp om deze ‘bloeiboog’ zo goed mogelijk af te stemmen op de vliegperiode van specifieke bijen in uw regio, maak dan gebruik van de ‘bloeibogen’ webtool.

Meest geschikte soorten

Via Terreingericht advies zijn er aan de hand van de locatie en het soort terrein tips en advies over aanleg en beheer van beplantingen die bestuivers ten goede komen.

Vuistregels voor aanleg

Planning

Houdt rekening met kwetsbare dier- en plantensoorten in het water of op de oever. Zorg dat dieren weg kunnen komen en werk niet in de voor hen kwetsbare periodes (winterrust en voorplantingsperiode).

Ruimtelijke indeling

Afhankelijk van het bodemtype dient het ontwerp van het profiel van de oever daar op aangepast te worden. De Handreiking natuurvriendelijke oevers van Hoogheemraadschap Rijnland geeft per bodemtype (zand, veen of klei) en in verschillende landschappen voorbeelden met tekst en uitleg over ontwerp, inrichting en beheer. Natuurvriendelijke oevers kunnen grofweg in drie hoofdtypen worden ingedeeld:

  • een plasberm (permanent watervoerend),
  • een drasberm (gelijke hoogte met de waterlijn) en
  • een flauwhellend talud.

Daarbij zijn combinaties van deze type oevers het meest waardevol. Houdt in het ontwerp rekening met de gewenste/vereiste stevigheid van de oever.

Aanplant

  • Spontane ontwikkeling van vegetatie in het water en op de oever heeft de voorkeur over aanplanten of inzaaien. Bij een goed ontwerp en aanleg kan de vegetatie zich vrij snel ontwikkelen en heeft als voorkeur dat de begroeiing is aangepast op de plaatselijke omstandigheden. In de eerste periode na aanleg zullen dit vooral pionierssoorten zijn, die langzaam plaats zullen maken voor de permanente soorten. Een voordeel van spontane ontwikkeling is dat er vaak een grotere diversiteit aan soorten zal ontstaan dan bij aanplanten of inzaaien, al kan het enkele jaren duren tot de vegetatie zich volledig heeft ontwikkeld.
  • Bij het aanplanten van water- en oevervegetatie is het moeilijk om aan de standplaatseisen van de planten te voldoen. Wanneer ze te droog, te nat of in de veel peil wisseling staan zullen ze snel afsterven of zich niet vermeerderen. Plant indien nodig alleen soorten aan die van nature voorkomen in de regio. Plant zeker geen soorten die zich snel vermeerderen en/of een exotische afkomst hebben. Er zijn meerdere soorten bekend die zich in het verleden hebben gevestigd als ware plagen (o.a. grote waternavel, parelvederkruid, kleine waterteunisbloem en watercrassula).

Nazorg

  • Ben na aanleg van de over alert op de vestiging van invasieve exoten (o.a. grote waternavel, parelvederkruid, kleine waterteunisbloem en watercrassula). 
  • Neem afhankelijk van de soort gepaste maatregelen waarbij de plant met alle wortels wordt verwijderd en afgevoerd en/of maak melding bij het waterschap. 
  • Voer invasieve exoten niet af in de groene afvalstromen maar bij het restafval of gespecialiseerde verwerkers.

Duurzaam beheer in latere jaren

NB: Blijvend bijvriendelijk beheer is essentieel om de waarde voor de toekomst te behouden.

Kijk voor een gericht beheer-advies op Oevervegetatie - beheer.

Combineren met nestaanleg

Het leefgebied van bijen moet naast voldoende voedsel in de vorm van nectar en stuifmeel ook een voldoende geschikte nestlocatie bieden. De ongeveer 360 soorten bijen in Nederland zijn grofweg in te delen in drie typen nestelaars en de koekoeksbijen (die zelf geen nesten maken). Ongeveer 250 soorten nestelen ondergronds, waarvan 101 soorten zelf geen nest maken maar parasiteren op het nest van een andere soort (Peeters et al. 2012). Ongeveer 40 soorten maken voor hun nesten gebruik van (dood)hout en holle stengels van onder andere braam, riet en vlier. De overige soorten nestelen in bijvoorbeeld slakkenhuizen, boomholten, muizenholen, in kieren of spleten of onder mos.

Zowel voor de bovengrondsnestelende als de ondergrondsnestelende bestuivers zijn er verschillende mogelijkheden om extra nestgelegenheden aan te bieden. Bovengronds kan dit door bijvoorbeeld aangepast maaibeheer (o.a. het laten staan van plukken riet), het plaatsen/maken van een insectenhotel en aangepast onderhoud van struiken en bomen. De ondergrond kan geschikt worden gemaakt als nestlocatie door het creëren van open plekken in de vegetatie, het aanleggen van nesteldijkjes of het afsteken van taluds.

Voorbeeld van de toepassing van deze maatregel

Foto Dianne Sanders