De zeven ecoprofielen
Dit ecoprofiel omvat soorten die gebruikmaken van opgaande begroeiing met bomen, struiken en ruigteplanten voor voedsel en/of voortplanting, maar die daarnaast ook gebruikmaken van droge, grazige terreinen met wat open plekjes (en voor diverse zweefvliegen ook moerassige plekken). Sommige soorten gebruiken de bomen en struiken uitsluitend voor hun voedsel en gebruiken open terrein om te nestelen. Ook het omgekeerde komt voor, bijvoorbeeld bij bijen die in dood hout en holle takken nestelen en hun voedsel halen uit bloemen in het grasland. Deze soorten komen voor in structuurrijke bosranden, maar vaak ook in tuinen, parken en plantsoenen.

Soorten van dit ecoprofiel vinden zowel geschikte nestplekken als voedsel in bloemrijke, grazige terreinen. Ze komen voor in droog tot licht vochtig terrein met een niet te dichte begroeiing met grassen, kruidachtige planten en dwergstruiken. Daarnaast kunnen ze ook voorkomen in vergraven en opgespoten terreinen met een opkomende begroeiing. Met name solitaire bijen in dit ecoprofiel zijn zonminnaars, zowel bij het foerageren als bij de keuze van nestelplekjes. In veel gebieden vormen schrale en gefaseerd beheerde bloemrijke bermen en dijken tegenwoordig een vluchthaven voor bestuivers, met name in het rivierengebied en in het zeekleigebied.
Dit ecoprofiel omvat soorten die natte, grazige habitats gebruiken voor voedsel en/of voortplanting (inclusief moeras, rietland, natte duinvalleien, vennen, sloten en oevers van plassen). Deze soorten gebruiken vaak een afwisseling van droge en natte grazige terreinen.

Dit ecoprofiel omvat zweefvliegen die vrijwel alleen in bossen of parken voorkomen en veel soorten zijn van bomen afhankelijk voor hun voortplanting (bed). Bij elkaar heeft een Bed & Breakfast-gebied een oppervlak van ten minste 10 ha structuurrijk bos, inclusief bosranden, struweel en zonbeschenen bospaden, waarvan minimaal 2 ha ouder bos met bomen van minimaal 50 jaar oud. Daarnaast maken ook diverse bijen en vlinders gebruik van bomen en struiken voor voedsel of voortplanting, maar bossen zijn dan vooral interessant in combinatie met terreindelen met een open vegetatiestructuur. Deze soorten vallen daarom onder het ecoprofiel Bosrand & Grazig.

Dit ecoprofiel omvat soorten met een voorkeur voor dynamisch en reliëfrijk duinlandschap met veel open zand (indicatie: 10-30% onbegroeid zand). Dergelijke gebieden worden vaak gekenmerkt door kleinschalige mozaïeken van open zand, duingrasland, duinheide, vochtige duinvalleien, solitaire bomen of struiken. Verstuiving is een van de sleutelfactoren voor het behoud van het open en dynamische karakter. Ook diverse soorten van het ecoprofiel 'Grazig droog' komen regelmatig voor in open duinen, maar de soorten in het ecoprofiel 'Open duin' zijn sterker afhankelijk van reliëfrijke gebieden met veel open zand. Doordat de grens gradueel is, zijn enkele soorten ingedeeld bij beide profielen.

Dit ecoprofiel omvat soorten van binnenlandse heidelandschappen met een structuurrijke vegetatie waarin ook voldoende kale, zandige plekken en steilrandjes aanwezig zijn. De soorten zijn niet gebonden aan 'paarse heide', maar profiteren juist van kleinschalige mozaïeken van oude en jonge heide, open zand, bloemrijk grasland, vennetjes, solitaire bomen of stuiken en bosranden. De meeste bijensoorten nestelen in kale, open bodem. Ook diverse soorten van het ecoprofiel 'Grazig & droog' komen regelmatig voor in heidelandschappen, maar veel soorten van 'Heide en stuifzand' zijn sterker afhankelijk van reliëfrijke gebieden met voldoende open zand. Het ecoprofiel is beperkt tot de hogere zandgronden in het binnenland. Langs de kust komt een enigszins vergelijkbaar ecoprofiel voor: 'Open duinen' (inclusief duinheide).

Dit ecoprofiel omvat een kleine groep generalistische soorten die erg mobiel zijn en weinig eisen stellen aan hun leefomgeving en daardoor al snel een bloemrijke tuin of overhoekje gevonden hebben om te foerageren. Grote delen van het agrarisch gebied zijn arm aan bijen en zweefvliegen en er zijn slechts enkele soorten die hier veel voorkomen, zoals akkerhommel, weidehommel, aardhommel, snorzweefvlieg en blinde bij. De soorten van dit ecoprofiel hebben vaak al aan een relatief klein oppervlakte genoeg: een 'Bed & Breakfast-gebied' heeft een minimaal oppervlak van circa 5 ha. Met relatief eenvoudige maatregelen kan voor deze groep vaak al winst geboekt worden. Ook in veel soortenarme gebieden zijn eenvoudige maatregelen dus zinvol, maar dan vooral met als doel om te voorkomen dat de vrij algemene soorten verder achteruitgaan en om waar mogelijk de diversiteit aan bestuivers te bevorderen. Het gaat hierbij dus om het op peil houden van een 'basiskwaliteit voor bestuivers'. De basiskwaliteit is dan de minimale vereiste voor de kwaliteit van het leefgebied om de populaties van deze generalistische bestuivers duurzaam in stand te houden (in aansluiting op het concept 'Basiskwaliteit Natuur').
