Oevervegetatie - beheer

Vochtige kruidenvegetatie

Om te voorkomen dat een watergang dicht groeit en de oever zich langzaam tot bos ontwikkeld, en om de watervoerende capaciteit van de watergang te behouden is onderhoud nodig. Onderhoud van de natuurvriendelijke oever omvat het schonen van de sloot (maaien en verwijderen van waterplanten), maaien van de droge oever en het periodiek baggeren van de waterbodem. Bij overs is een verschil te maken tussen ontwikkelingsbeheer en onderhoudsbeheer. Bij oevers op veen- of kleigrond is na ongeveer 2 jaar het gewenste vegetatiestadium bereikt, op zandgrond duurt dit ongeveer 4 jaar.

Gewenste vegetatie

Op basis van de planten die van nature in uw regio voorkomen, en welke daarvan het meest relevant zijn voor de bestuivers in uw regio, adviseren we om in uw beheersplan toe te werken naar een vegetatie met de plantensoorten uit de lijst 'Meest geschikte soorten'.

Meest geschikte soorten

Via Terreingericht advies zijn er aan de hand van de locatie en het soort terrein tips en advies over aanleg en beheer van beplantingen die bestuivers ten goede komen.

Vuistregels voor aanleg

Planning

Om de ecologische kwaliteit van de oever te behouden en te versterken dient bij het onderhoud daarvan met enkele zaken rekening te worden gehouden. Pleeg onderhoud als maaien buiten de kwetsbare voortplantings- en rust periode van dieren als vissen, amfibieën en vogels. Voer het onderhoud gefaseerd uit (laat minimaal 25% van de vegetatie staan per maaibeurt). Op die manier blijven er schuilplekken en leefgebied over voor de aanwezige gewervelde dieren en nectarplanten en nestgelegenheid voor bestuivers en andere insecten.

Materialen

  • Bij het maaien en afvoeren van de watervegetatie dient de waterbodem zo min mogelijk verstoord te worden. Door verstoring van de bodem kan het zuurstofpeil in het water dermate laag worden dat het water tijdelijk onleefbaar wordt.
  • Gebruik bij het maaien van de droge oever materiaal dat past bij de omvang van het te maaien oppervlakte. Het gebruik van een klepelmaaier wordt bij voorkeur vermeden en ook het gebruik van een maai/zuigcombinatie is niet wenselijk. Maaien met een maaibalk heeft de voorkeur zodat dieren en zaden de kans hebben uit het maaisel te komen voorafgaand aan het afvoeren.

Praktische uitvoering

  • De frequentie van het maaibeheer dient afgestemd te worden met de voedselrijkheid van het systeem. In de ontwikkelingsfase (veen- en kleigrond 2 jaar, zandgrond eerste 4 jaar) wordt aanbevolen één maal per jaar in het najaar de oever te maaien en de watergang te schonen.
  • In het onderhoudsbeheer is het maaien en verwijderen van de onderwatervegetatie in sommige situaties maar eens in de paar jaar of helemaal niet nodig, in andere situaties is 1 maal per jaar het maximum. Laat altijd 25% van het wateroppervlakte met rust. Het maaien en afvoeren van onderwatervegetatie kan het best uitgevoerd worden in de periode vanaf half juli tot begin november. Deponeer het verwijderde plantmateriaal niet op de natuurvriendelijke oever, maar hoog op het droge deel. Laat dit maaisel ongeveer twee dagen liggen zodat de fauna er uit kan kruipen en voer het maaisel daarna af.
  • Afhankelijk van het type watergang kan het nodig zijn om periodiek te baggeren om verlanding tegen te gaan en het waterbergende vermogen te handhaven. De frequentie van het baggeren is afhankelijk van de voedselrijkdom van het water maar als richtlijn kan eens in de 8 jaar worden aangehouden.
  • Op het droge deel van de oever dient in de eerste jaren een tot twee keer per jaar gemaaid te worden. Op zandoevers kan na vier jaar en op klei- en veen oevers al ja twee jaar, de maai frequentie worden terug gebracht naar eens in de twee jaar. Wanneer grassoorten de vegetatie gaan overheersen kan de frequentie verhoogd worden naar eens per jaar. Laat altijd minstens 25% van de vegetatie ongemaaid. Indien er in het gebied de zeldzame en beschermde Noordse-woelmuis en/of waterspitsmuis voorkomen, heeft het de voorkeur om per maaibeurt 50% van de vegetatie te laten staan. Het maaien van de droge oever vegetatie kan het best uitgevoerd worden in de periode van half juli tot en met half maart. Houd daarbij rekening met eventueel broedende vogels en beschermde plantensoorten. Laat het maaisel ongeveer twee dagen liggen zodat dieren en zaden de kans hebben uit het maaisel te komen voorafgaand aan het afvoeren.
  • Wanneer riet en biezen een verdedigende functie hebben voor de oever dient voor de vorming van een dichte zode deze vegetatie ieder jaar gemaaid te worden in het najaar. Het riet slaat na de zomer zijn reserves ondergronds op en zal in het voorjaar weer vol uitgroeien. Wanneer de situatie het toe laat is het waardevol om een deel van de riet en/of biezen stengels te laten staan als nestgelegenheid voor wilde bijen. Wanneer het riet en/of de biezen geen verdedigende functie hebben voor de oever kan als richtlijn bij iedere maaibeurt 50% blijven staan.

Combineren met nestgelegenheid

Het leefgebied van bijen moet naast voldoende voedsel in de vorm van nectar en stuifmeel ook een voldoende geschikte nestlocatie bieden. De ongeveer 360 soorten bijen in Nederland zijn grofweg in te delen in drie typen nestelaars en de koekoeksbijen (die zelf geen nesten maken). Ongeveer 250 soorten nestelen ondergronds, waarvan 101 soorten zelf geen nest maken maar parasiteren op het nest van een andere soort (Peeters et al. 2012). Ongeveer 40 soorten maken voor hun nesten gebruik van (dood)hout en holle stengels van onder andere braam, riet en vlier. De overige soorten nestelen in bijvoorbeeld slakkenhuizen, boomholten, muizenholen, in kieren of spleten of onder mos.

Zowel voor de bovengrondsnestelende als de ondergrondsnestelende bestuivers zijn er verschillende mogelijkheden om extra nestgelegenheden aan te bieden. Door vegetaties op een goede manier te onderhouden is er al meer ruimte voor natuurlijke nestgelegenheid. Bij oevervegetaties met veel riet omvat dit vooral het laten staan van stukken van de vegetatie bij maaibeurten. Voor meer adviezen rondom nestgelegenheid kunt u terecht op de pagina Nestgelegenheid van de webtool Terreingericht advies.

Ecoprofiel voor bestuivers

Bosrand en grazig
Grazig nat & droog
Voorbeeld van de toepassing van deze maatregel

Foto Yavanna Aartsma