Tijdelijk of blijvend bloemrijk grasland - beheer
Droge kruidenvegetatie
Bloemrijke vegetaties zijn er in verschillende vormen en met verschillende doelen. Zo kan deze ook een rol spelen bij de beheersing van plaagdieren in gewassenteelt. Een bloemrijke vegetatie kan bij een juiste soortkeuze, aanleg en goed beheer een belangrijke voedselbron vormen voor wilde bestuivers. Een bloemenveld is een breder perceel in half-natuurlijke terreinen zoals natuurgraslanden en uiterwaarden of in parken en tuinen. Een bloemenweide heeft een meerjarig karakter met een goede balans tussen grassoorten en bloemrijke kruidachtige planten.
Gewenste vegetatie
Op basis van de planten die van nature in uw regio voorkomen, en welke daarvan het meest relevant zijn voor de bestuivers in uw regio, adviseren we om in uw beheersplan toe te werken naar een vegetatie met de plantensoorten uit de lijst 'Meest geschikte soorten'.
Meest geschikte soorten
Via Terreingericht advies zijn er aan de hand van de locatie en het soort terrein tips en advies over aanleg en beheer van beplantingen die bestuivers ten goede komen.
Vuistregels voor beheer
Planning
- Het eerste jaar na inzaaien zult u mogelijk nog niet veel bloemen zien, meerjarige mengsels zullen pas in het tweede jaar uitbundig bloeien. Door dat er in de grond is gewoeld bij de aanleg zullen er mogelijk veel ongewenste kruiden opkomen. Bij kleine oppervlaktes kunnen deze handmatig verwijderd worden, bij grotere oppervlakten kan in het begin van de zomer eenmalig de vegetatie van maximaal 30 centimeter hoog tot 5 centimeter hoogte worden afgemaaid.
- Ratelaar (Rhinanthus) is een half-parasiet op grassen en kan zo vergrassing van een bloemenweide enigszins tegengaan, met name op niet al te voedselrijke bodems. Zaaien met het bloemenmengsel, of bijzaaien in de late zomer –late herfst; in dat geval zorgen dat er ruimte op de bodem is voor de zaden om te bereiken.
- Wanneer ratelaar groeit op te maaien percelen, stem hier dan het maaibeheer op af zodat de planten ook tot zaad zetting komen. Maai óf tot eind mei zodat de ratelaar later nog in bloei komt, of na juni wanneer de ratelaar uitgebloeid is. Houdt bij een late maaidatum rekening met de tweede maaidatum in september.
- Meerjarige bloemenstroken of ingezaaide akkerranden op voedselrijke grond dienen 2 maal per jaar gemaaid te worden. De eerste maaironde kan in de eerste helft van juli plaatsvinden, de tweede ronde in september of oktober. Op schrale bodems is één keer maaien in september of oktober voldoende.
- Laat bij iedere maaibeurt een deel overstaan totdat het gemaaide deel weer in bloei is gekomen, een rust periode van vier weken is meestal voldoende tussen de fases binnen één maaironde. Laat bij de laatste maaibeurt ook een deel (ongeveer 30%) overstaan door de winter heen.
- Eenjarige bloemranden hoeven niet gemaaid te worden, maar moeten wel iedere jaar opnieuw gezaaid worden. Dit geeft flexibiliteit qua ligging, maar eenjarige randen hebben ten opzichte van meerjarige randen minder ecologische waarde.
- Het maaisel van meerjarige bloemstroken dient afgevoerd te worden, laat het maaisel 3-5 dagen rusten zodat dieren en zaden uit het maaisel kunnen komen.
Materialen
- Maaien met een maaibalk heeft de voorkeur zodat dieren en zaden de kans hebben uit het maaisel te komen voorafgaand aan het afvoeren. Het gebruik van een klepelmaaier wordt bij voorkeur vermeden en ook het gebruik van een maai/zuigcombinatie is niet wenselijk omdat hierbij veel zaden en insecten worden afgevoerd. Het gebruik van een maai/zuigcombinatie heeft echter wel de voorkeur boven het gebruik van een klepelmaaier. Bij het klepelmaaien wordt de vegetatie stuk geslagen en ter plekken achtergelaten. Op deze manier wordt de bodem niet verschraalt en zal de vegetatie vervilten door de ophoping van organisch materiaal, plantensoorten als grassen en brandnetels zullen daar van profiteren uiteindelijk de overhand nemen.
- Op kleinere oppervlakten kan mogelijk ook handmatig gemaaid worden met een zeis. Dit vergt echter enige training. Bij lokale landschapsorganisaties zijn soms cursussen te volgen voor het leren maaien met een zeis.
Ruimtelijke indeling
- Gefaseerd maaien van bloemrijke vegetaties is erg belangrijk voor bestuivers, sommige soorten solitaire bijen nestelen namelijk in de stengels. Ook andere insecten overwinteren tussen de vegetatie, waardoor het extra goed voor de biodiversiteit is om een deel van de vegetatie te laten staan. Laat tenminste 30% van de vegetatie staan bij de laatste maaibeurt van het jaar.
- Sinusmaaibeheer is een geoptimaliseerde vorm van maaibeheer gericht speciaal op de behoeften van insecten. Voor percelen waar dit toegepast wordt, buiten tuinen, wordt aanbevolen om een maaibeheerplan op te stellen, waarin op kaart wordt aangegeven welke delen wel en niet worden gemaaid en wanneer dit het geval is en wanneer men dient te wisselen. Op die manier kan men aangeven welke terreindelen in bloei kunnen komen en voedsel bieden aan de bijenfauna. Bij de volgende maaibeurt kunnen deze stukken weer gemaaid worden en kan weer een ander gedeelte blijven 'overstaan'. Gefaseerd maaibeheer kan op vele manieren worden vormgegeven. Sinusbeheer is een van die vormen en in wezen niet veel anders dan gefaseerd maaien in ruimte en tijd, maar met dat wezenlijk verschil dat er altijd vegetatiezones over blijven staan tot het groeiseizoen van het daarop volgende jaar. Op die manier is er ook altijd in de winter vegetatie aanwezig waarin entomofauna, waaronder wilde bijen, kunnen overwinteren (overleving van bijenlarven, vlinderrupsen, eieren en imago’s van vele andere insecten) en een betere start hebben in het voorjaar. Met sinusbeheer ontstaan veel mozaïekpatronen die de gewenste structuurvariatie en verschillen in microklimaat aanbrengen in de vegetatie. Door een Sinuslijn te hanteren en deze jaarlijks te verleggen creëert men meer (ecologische)randlengte en meer structuurvariatie, waarvan wilde bijen profiteren.
- Voor meer informatie over sinusbeheer, zie de presentatie van Jurgen Couckuyt en een artikel van zijn hand in Vakblad natuur bos en landschap. Meer informatie over gefaseerd maaibeheer en de voordelen hiervan is te lezen op de website van EIS Kenniscentrum Insecten.
Combineren met nestgelegenheid
Het leefgebied van bijen moet naast voldoende voedsel in de vorm van nectar en stuifmeel ook een voldoende geschikte nestlocatie bieden. De ongeveer 360 soorten bijen in Nederland zijn grofweg in te delen in drie typen nestelaars en de koekoeksbijen (die zelf geen nesten maken). Ongeveer 250 soorten nestelen ondergronds, waarvan 101 soorten zelf geen nest maken maar parasiteren op het nest van een andere soort (Peeters et al. 2012). Ongeveer 40 soorten maken voor hun nesten gebruik van (dood)hout en holle stengels van onder andere braam, riet en vlier. De overige soorten nestelen in bijvoorbeeld slakkenhuizen, boomholten, muizenholen, in kieren of spleten of onder mos.
Zowel voor de bovengrondsnestelende als de ondergrondsnestelende bestuivers zijn er verschillende mogelijkheden om extra nestgelegenheden aan te bieden. Door kruidachtige vegetaties op een goede manier te onderhouden is er al meer ruimte voor natuurlijke nestgelegenheid. Dit omvat het laten staan van stukken van de vegetatie bij maaibeurten, het verschralen van de bodem door te maaien, het niet te kort maaien. Dit alles om er voor te zorgen dat de open bodem goed bereikbaar is. Voor meer adviezen rondom nestgelegenheid kunt u terecht op de pagina Nestgelegenheid van de webtool Terreingericht advies.
Subsidiemogelijkheden via ecoregelingen binnen het GLB
Mogelijk komt u door toepassing van deze maatregel in aanmerking voor subsidie vanuit de ecoregeling van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Deze maatregel zou bijvoorbeeld kunnen bijdragen aan eco-activiteiten in de categorie ‘niet-productieve grond’ of ‘hoofdteelt’. Binnen deze regeling voert u eco-activiteiten uit die passen bij uw bedrijf en die bijdragen aan doelen zoals klimaat, bodem, water, landschap en biodiversiteit. Voor meer informatie en de actuele voorwaarden kunt u terecht op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
Past bij
Bebouwd gebiedIntensief landbouwgebied
Landbouwzone rond natuurgebied
Ecoprofiel voor bestuivers
Bosrand en grazigGrazig & droog
Grazig nat & droog

Foto Anjo de Jong