Geleidelijk opgaande bosranden   - aanleg

Houtige opslag

Plant bomen en struiken bij voorkeur in de winter, tussen bladval en de start van de sapstroom (ongeveer november tot eind maart). Plant niet bij strenge vorst of extreme weersomstandigheden.

Ruimtelijke indeling

  • Zet hoog groeiende soorten in het midden en zorg voor een geleidelijk opgaande bosrand. 
  • Laat bij grote oppervlakten ook stukken open met ruimte voor kruidachtige vegetatie en zonnige open bodem voor nesten. 
  • Houd bij de keuze van het sortiment rekening met de groeiplaatseisen van de soorten.

Voorbewerking

  • Zorg dat het plantgoed tijdens de voorbereidingen niet uitdroogt. 
  • Bereid de grond voor: verwijder indien aanwezig de graszode en maak de grond los. 
  • Maak een plantgat dat groot genoeg is voor het hele wortelstelsel.

Aanplant / inzaai

  • Plant het plantgoed diep genoeg zodat het hele wortelstelsel in het gat of in de sleuf past. 
  • Vul het gat aan met grond (eventueel gemengd met wat compost). 
  • Zorg dat ook de aanvulgrond voldoende los is, zodat de wortels goed bedekt zijn. Nazorg 
  • Houd in het eerste jaar de grond rond de aangeplante struiken en vegetatie vrij van onkruid.  
  • Bescherm waar nodig de nieuwe aanplant tegen (grote) grazers met een afzetting, eventueel met stroomdraad.  
  • Zorg vooral aan het begin van het groeiseizoen voor een voldoende vochtige bodem. 
  • &Snoei struweelaanplant eventueel vlak na aanplant terug tot circa 30 cm boven de grond om de vorming van zijtakken te stimuleren.

Duurzaam beheer in latere jaren

Let op: blijvend bijvriendelijk beheer is essentieel om de waarde voor de toekomst te behouden.

Voorbeeld van de toepassing van deze maatregel

Foto Anjo de Jong