Bloemenstrook - beheer
Droge kruidenvegetatie
Bloemrijke vegetaties zijn er in verschillende vormen en met verschillende doelen. Een bloemrijke vegetatie kan bij een juiste soortkeuze, aanleg en goed beheer een belangrijke voedselbron vormen voor wilde bestuivers. Ook kan deze een rol spelen bij de beheersing van plaagdieren in gewassenteelt. Bloemstroken worden vaak langs akkers, wegbermen of in parken of woonwijken aangelegd.
Gewenste vegetatie
Op basis van de planten die van nature in uw regio voorkomen, en welke daarvan het meest relevant zijn voor de bestuivers in uw regio, adviseren we om in uw beheersplan toe te werken naar een vegetatie met de plantensoorten uit de lijst 'Meest geschikte soorten'.
Meest geschikte soorten
Via Terreingericht advies zijn er aan de hand van de locatie en het soort terrein tips en advies over aanleg en beheer van beplantingen die bestuivers ten goede komen.
Vuistregels voor beheer
Planning
- Bij ingezaaide akkerranden kunnen, wanneer de kiemplanten enigszins ontwikkeld zijn, in het eerste jaar storende onkruiden (zoals akkerdistel, ridderzuring, melde en perzikkruid) gewied worden. Voer dit periodiek uit en zorg daarbij dat ongewenste soorten niet tot zaad-zetting komen.
- Meerjarige bloemenstroken of ingezaaide akkerranden op voedselrijke grond dienen 2 maal per jaar gemaaid te worden. De eerste maaironde kan in de eerste helft van juli plaatsvinden, de tweede ronde in september of oktober. Op schrale bodems is één keer maaien in september of oktober voldoende.
- Laat bij iedere maaibeurt een deel overstaan totdat het gemaaide deel weer in bloei is gekomen, een rust periode van vier weken is meestal voldoende tussen de fases binnen één maaironde. Laat bij de laatste maaibeurt ook een deel (ongeveer 30%) overstaan door de winter heen.
- Eenjarige bloemranden hoeven niet gemaaid te worden, maar moeten wel iedere jaar opnieuw gezaaid worden. Dit geeft flexibiliteit qua ligging, maar eenjarige randen hebben ten opzichte van meerjarige randen minder ecologische waarde.
- Wanneer specifiek akkerkruiden zijn gezaaid en u deze in stand wil houden, dient de bodem ieder jaar licht bewerkt te worden. Daarbij is het van belang dat de zaden de kans krijgen te rijpen aan de plant en vervolgens uit te zaaien. Door de bovenste 5 centimeter van de bodem te roeren met bijvoorbeeld een frees of cultivator worden de zaden geactiveerd en zullen zij kiemen. Mogelijk is het nodig de eerste paar jaren wat bij te zaaien zodat er een zaadvoorraad in de bodem ontstaat.
- Het maaisel van meerjarige bloemstroken dient afgevoerd te worden, laat het maaisel 3-5 dagen rusten zodat dieren en zaden uit het maaisel kunnen komen.
Materialen
- Maaien met een maaibalk heeft de voorkeur zodat dieren en zaden de kans hebben uit het maaisel te komen voorafgaand aan het afvoeren. Het gebruik van een klepelmaaier wordt bij voorkeur vermeden en ook het gebruik van een maai/zuigcombinatie is niet wenselijk omdat hierbij veel zaden en insecten worden afgevoerd. Het gebruik van een maai/zuigcombinatie heeft echter wel de voorkeur boven het gebruik van een klepelmaaier. Bij het klepelmaaien wordt de vegetatie stuk geslagen en ter plekken achtergelaten. Op deze manier wordt de bodem niet verschraalt en zal de vegetatie vervilten door de ophoping van organisch materiaal, plantensoorten als grassen en brandnetels zullen daar van profiteren uiteindelijk de overhand nemen.
- Op kleinere oppervlakten kan mogelijk ook handmatig gemaaid worden met een zeis. Dit vergt echter enige training. Bij lokale landschapsorganisaties zijn soms cursussen te volgen voor het leren maaien met een zeis.
Ruimtelijke indeling
Gefaseerd maaien van bloemrijke vegetaties is erg belangrijk voor bestuivers, sommige soorten solitaire bijen nestelen namelijk in de stengels. Ook andere insecten overwinteren tussen de vegetatie, waardoor het extra goed voor de biodiversiteit is om een deel van de vegetatie te laten staan. Laat tenminste 30% van de vegetatie staan bij de laatste maaibeurt van het jaar.
Combineren met nestaanleg
Het leefgebied van bijen moet naast voldoende voedsel in de vorm van nectar en stuifmeel ook een voldoende geschikte nestlocatie bieden. De ongeveer 360 soorten bijen in Nederland zijn grofweg in te delen in drie typen nestelaars en de koekoeksbijen (die zelf geen nesten maken). Ongeveer 250 soorten nestelen ondergronds, waarvan 101 soorten zelf geen nest maken maar parasiteren op het nest van een andere soort (Peeters et al. 2012). Ongeveer 40 soorten maken voor hun nesten gebruik van (dood)hout en holle stengels van onder andere braam, riet en vlier. De overige soorten nestelen in bijvoorbeeld slakkenhuizen, boomholten, muizenholen, in kieren of spleten of onder mos.
Zowel voor de bovengrondsnestelende als de ondergrondsnestelende bestuivers zijn er verschillende mogelijkheden om extra nestgelegenheden aan te bieden. Bovengronds kan dit door bijvoorbeeld aangepast maaibeheer, het plaatsen/maken van een insectenhotel en aangepast onderhoud van struiken en bomen. De ondergrond kan geschikt worden gemaakt als nestlocatie door het creëren van open plekken in de vegetatie, het aanleggen van nesteldijkjes of het afsteken van taluds.
Subsidiemogelijkheden via ecoregelingen binnen het GLB
Mogelijk komt u door toepassing van deze maatregel in aanmerking voor subsidie vanuit de ecoregeling van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Deze maatregel zou bijvoorbeeld kunnen bijdragen aan eco-activiteiten in de categorie ‘niet-productieve grond’ of ‘hoofdteelt’. Binnen deze regeling voert u eco-activiteiten uit die passen bij uw bedrijf en die bijdragen aan doelen zoals klimaat, bodem, water, landschap en biodiversiteit. Voor meer informatie en de actuele voorwaarden kunt u terecht op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).

Foto Wim Dimmers