Zoveel mogelijk soorten helpen
Stap 1: Terreingericht advies
Terreineigenaren krijgen zo concreet mogelijk advies over hoe ze bestuivers kunnen helpen op een manier waarbij ze hun specifieke plek zo effectief mogelijk benutten. Een advies op maat dus, bestaande uit een keuzepalet van maatregelen en praktische vuistregels voor de aanleg en het onderhoud daarvan.
Hoe werkt het?
Uw postcode bepaalt het landschapstype en of er een natuurgebied in de buurt ligt. Deze factoren bepalen welke soorten bestuivers er kunnen voorkomen en welke plantensoorten er groeien, en daarmee welke maatregelen het meest effectief zijn om de lokale bestuivers te helpen.
Op de resultaatpagina van de tool vindt u een overzicht van de landschapselementen en maatregelen waarmee u het leefgebied voor bestuivers in uw regio kunt verbeteren. Per maatregel krijgt u informatie over geschikte vegetatie, de meest geschikte planten- en bomensoorten en praktische vuistregels voor aanleg en onderhoud.
Stap 2: Landschapsgericht advies
Wellicht zag u in stap 1 (tool Terreingericht advies) meerdere opties die voor uw terrein interessant zouden kunnen zijn. Dan is het goed om uw keuze ook af te laten hangen van het landschap direct rond uw terrein. De tool Landschapsgericht advies helpt u hierbij.
In Nederland komen veel soorten bestuivers voor met elk eigen voorkeur voor hun leefgebied. Denk aan ongeveer 360 soorten wilde bijen en hommels en 330 soorten zweefvliegen. Bij de invulling van beschermingsbeleid voor bestuivers op landschapsschaal, is het dan ook een uitdaging om deze soorten allemaal voldoende te bedienen.
Om deze diversiteit overzichtelijk en praktisch te maken, zijn ze samengebracht in zeven ecoprofielen voor bestuivers. Voor elk ecoprofiel zijn specifieke bouwstenen ontwikkeld voor een landschap waarin ze duurzaam kunnen voorkomen.
De zeven ecoprofielen
Dit ecoprofiel omvat soorten die gebruikmaken van opgaande begroeiing met bomen, struiken en ruigteplanten voor voedsel en/of voortplanting, maar die daarnaast ook gebruik maken van droge, grazige terreinen met wat open plekjes (en voor diverse zweefvliegen ook moerassige plekken). Sommige soorten gebruiken de bomen en struiken uitsluitend voor hun voedsel en gebruiken open terrein om te nestelen. Ook het omgekeerde komt voor, bijvoorbeeld bij bijen die in dood hout en holle takken nestelen en hun voedsel halen uit bloemen in het grasland. Deze soorten komen voor in structuurrijke bosranden, maar vaak ook in tuinen, parken en plantsoenen.







